Direct naar de inhoud

Rekenspelletjes per groep, voor in de klas en thuis

Spelletjes met een dobbelsteen, een kaartspel, een bal of gewoon de kring, gesorteerd op wat er in welke groep speelt: van splitsen tot twintig in groep 3 tot procenten en verhoudingen in groep 8. Bij elke groep staan ook onze eigen oefeningen, gratis en met antwoorden.

In het kort

Een rekenspelletje is het snelst te spelen zonder scherm: een dobbelsteen of een kaartspel is genoeg. Op deze pagina staan per groep de spelletjes die passen bij de rekenstof van dat jaar, 30 in totaal, met wat je nodig hebt en hoe je het speelt. Daaronder staan per groep onze gratis oefeningen voor wie liever een blad print of op het scherm oefent.

Rekenspelletjes groep 3

Wat er speelt: Optellen en aftrekken tot 20, splitsen, en getallen herkennen zonder te tellen.

  1. Dobbelsteen-optellen

    Twee kinderen gooien elk een dobbelsteen en tellen de ogen bij elkaar op. Wie de som het eerst goed zegt, krijgt een fiche. Vijf fiches is winst. Wordt het te makkelijk, speel dan met drie dobbelstenen of met een twintigzijdige.

    Nodig: Dobbelstenen en fiches of knopen

  2. Vingers achter je rug

    Eén kind houdt een aantal vingers omhoog, het andere kind zegt hoeveel erbij moeten om tien te maken. Dan wisselen. Dit is de splitsing van tien, de som die in groep 3 het vaakst terugkomt, verpakt als spel.

    Nodig: Niets

  3. Buurgetallen in de kring

    De juf of meester roept een getal onder de twintig; de kinderen roepen het getal ervoor en erna. Wie als eerste beide buren heeft, mag het volgende getal kiezen. Goed voor het inzicht in de getallenrij, en in drie minuten gespeeld.

    Nodig: Niets

  4. Meer of minder

    Haal de plaatjes uit een kaartspel, de aas is één. Twee kinderen trekken elk een kaart en leggen hem open; wie de hoogste heeft, pakt beide kaarten. Variant: de winnaar moet ook het verschil noemen, anders gaan de kaarten naar de ander.

    Nodig: Een kaartspel zonder plaatjes

  5. Tellen met sprongen

    Iedereen staat. Om de beurt tellen de kinderen met sprongen van twee: 2, 4, 6. Wie een getal overslaat of twijfelt, gaat zitten. De laatste die staat, begint de volgende ronde met sprongen van vijf of tien.

    Nodig: Niets

Liever op papier of op het scherm? Voor groep 3 hebben we:

  • Rekenwerkblad groep 3 Kale sommen op maat, met antwoordblad.
  • Klokkijken groep 3 Analoge klokken aflezen en zelf tekenen.
  • Sommen en kleuren Kies "Groep 3: plus en min tot 20" boven de plaat; de tekening verschijnt als alles klopt.
  • Splitsen Splitshuisjes tot 10 en 20, online in te vullen of te printen, met de reden bij elke fout.

Rekenspelletjes groep 4

Wat er speelt: Rekenen tot 100, sprongen van tien, en de eerste tafels: 1, 2, 5 en 10.

  1. Tafelbal

    Kinderen staan in een kring. Wie de bal gooit, roept een keersom uit de tafel van 2, 5 of 10; wie hem vangt, geeft het antwoord en gooit door met een nieuwe som. Een fout antwoord kost niets, maar de bal gaat dan terug naar de gooier.

    Nodig: Een zachte bal

  2. Dobbeltafels

    Gooi een dobbelsteen en vermenigvuldig de ogen met de tafel van de week: bij de tafel van 5 is een 4 dus 20. Wie het eerst het antwoord zegt, houdt de beurt. Met twee dobbelstenen bij elkaar opgeteld kom je tot 12 en oefen je ook de hogere keersommen.

    Nodig: Eén of twee dobbelstenen

  3. Honderdveldbingo

    Elk kind schrijft negen getallen onder de 100 op een blaadje. De juf zegt sommen (38 + 20, 70 − 6) en wie de uitkomst heeft staan, streept hem af. Drie op een rij is bingo. Het oefent precies de sprongen van tien en de sommen over het tiental.

    Nodig: Papier en pen

  4. Maak vijftig

    Iedere speler trekt twee kaarten en legt er een getal van twee cijfers mee (een 3 en een 7 wordt 37 of 73). Wie het dichtst bij de 50 zit, wint de ronde. Daarna met drie kaarten en een doel van 500. Zo oefen je de plaatswaarde van cijfers zonder dat het zo heet.

    Nodig: Een kaartspel zonder plaatjes

  5. Ik zit op een getal

    Eén kind denkt aan een getal onder de 100. De rest raadt, en krijgt alleen "meer" of "minder" te horen. Tel hoeveel beurten het kost; wie het met de minste beurten kan, snapt het halveren al voordat het woord valt.

    Nodig: Niets

Liever op papier of op het scherm? Voor groep 4 hebben we:

Rekenspelletjes groep 5

Wat er speelt: Alle tafels tot en met 10 automatiseren, rekenen tot 1000, en de eerste deelsommen.

  1. Tafeltikkertje

    Gewoon tikkertje op het plein, met één regel erbij: wie getikt wordt, krijgt een keersom en mag alleen verder als het antwoord binnen drie tellen komt. Fout of te laat, dan ben jij de tikker. Rennen en rekenen tegelijk blijkt verrassend goed samen te gaan.

    Nodig: Een plein of gymzaal

  2. Deelsommen-memory

    Maak kaartjes met deelsommen (56 : 8) en kaartjes met alleen de uitkomst (7). Leg ze omgekeerd neer en speel memory: een som met zijn uitkomst is een setje. Omdat meerdere sommen dezelfde uitkomst hebben, moet je goed onthouden welke kaart waar ligt.

    Nodig: Zelfgemaakte kaartjes

  3. Drie stenen, één doel

    Gooi drie dobbelstenen en probeer met plus, min en keer op het doelgetal uit te komen, bijvoorbeeld 24. Met een 4, een 3 en een 2 lukt dat via 4 × 3 × 2. Niet elke worp kan, en dát uitvogelen is het spel.

    Nodig: Drie dobbelstenen

  4. Getallenslang tot 1000

    In de kring telt iedereen om de beurt verder met sprongen van 25 of 50: 325, 350, 375. Wie een fout maakt, begint opnieuw bij het laatste honderdtal. Variant voor de vlotte rekenaars: achteruit vanaf 1000.

    Nodig: Niets

  5. Tafelbingo

    Print bingokaarten met keersommen, één per kind, en lees de uitkomsten voor van de afroeplijst. Wie een som heeft staan die bij de uitkomst hoort, streept hem af. Een hele klas tegelijk, en iedereen rekent de hele tijd, ook wie geen bingo heeft.

    Nodig: Bingokaarten met sommen (zie hieronder)

Liever op papier of op het scherm? Voor groep 5 hebben we:

Rekenspelletjes groep 6

Wat er speelt: Rekenen tot 10.000, de lastige tafels 6 tot en met 9, cijferen, en de eerste breuken.

  1. Rekenquiz in teams

    Twee teams, een stapel sommen, een belletje. De juf leest een som voor en het team dat het eerst belt mag antwoorden. Goed is een punt, fout is een punt voor de ander. Wissel af tussen hoofdrekenen, een schatting en een verhaaltjessom, zodat niet steeds dezelfde kinderen winnen.

    Nodig: Een belletje en een lijst sommen

  2. Schat het eerst

    Hoeveel stoelen staan er in de aula, hoeveel weegt de schooltas van de meester, hoe lang is de gang in stappen? Iedereen schrijft een schatting op, daarna wordt er geteld of gemeten. Wie het dichtst bij zit, wint. Schatten is een rekenvaardigheid die zelden geoefend wordt en in groep 6 opeens belangrijk is.

    Nodig: Een meetlint of weegschaal

  3. Het grootste getal

    Trek vier kaarten en leg er het grootst mogelijke getal van vier cijfers mee. Wie het grootste getal heeft, wint de kaarten. Variant: het kleinste, of het getal dat het dichtst bij 5000 ligt. Plaatswaarde tot 10.000, in een rondje van een minuut.

    Nodig: Een kaartspel zonder plaatjes

  4. Tafeluno met 6, 7, 8 en 9

    Speel een gewoon kaartspel waarbij je mag afleggen als je een keersom uit de tafels van 6 tot en met 9 kunt noemen met de kaart die ligt als uitkomst. Ligt er een 8, dan mag je afleggen met "4 × 2" of "8 × 1". Ligt er een 9: "3 × 3". Zo komen juist de moeilijke tafels steeds langs.

    Nodig: Een kaartspel

  5. Breukendomino

    Maak dominostenen met aan de ene kant een breuk (1/2) en aan de andere kant een plaatje of een andere schrijfwijze (2/4, of een halve cirkel). Steentjes mogen alleen tegen elkaar als ze even groot zijn. Gelijkwaardige breuken zijn hiermee in één spelletje te zien in plaats van uit te leggen.

    Nodig: Zelfgemaakte dominostenen van karton

Liever op papier of op het scherm? Voor groep 6 hebben we:

Rekenspelletjes groep 7

Wat er speelt: Rekenen tot 100.000, staartdelen, kommagetallen, procenten en verhoudingen.

  1. Winkeltje met korting

    Geef spullen in de klas een prijskaartje en hang er een kortingsbord bij: 25% korting, of 3 halen 2 betalen. Kinderen doen boodschappen met een vast budget en rekenen uit wat ze betalen. Wie het meest overhoudt zonder fouten, wint. Procenten krijgen zo meteen een reden.

    Nodig: Prijskaartjes en speelgeld of een kladblok

  2. Deeldobbel

    Gooi drie dobbelstenen en maak er een getal van drie cijfers van; gooi dan een vierde steen en deel het getal erdoor. Wie de uitkomst én de rest het eerst goed heeft, wint de ronde. Dit is staartdelen met een reden om snel te zijn.

    Nodig: Vier dobbelstenen en kladpapier

  3. Precies tien

    Kaartjes met kommagetallen (2,5 en 0,75 en 4,2) liggen open op tafel. Om de beurt pak je een kaartje; wie met zijn kaartjes precies op 10 uitkomt, wint. Ga je eroverheen, dan lig je eruit. Optellen met kommagetallen, en schatten wanneer je moet stoppen.

    Nodig: Zelfgemaakte kaartjes

  4. Ren je rot rekenen

    Op het plein staan drie vakken met een antwoord erin, met krijt. De juf roept een som en iedereen rent naar het vak met het goede antwoord. Wie in het verkeerde vak staat, doet een opdracht. Werkt ook binnen, met drie hoeken van het lokaal.

    Nodig: Krijt en een plein, of drie hoeken

  5. De getallenveiling

    Elke speler krijgt 100 punten om mee te bieden. De veilingmeester leest een som voor; wie het hoogst biedt, mag antwoorden en krijgt bij een goed antwoord het bod erbij, bij een fout antwoord eraf. Het leert inschatten hoe zeker je van een som bent, en dat is precies wat bij een toets telt.

    Nodig: Papier en pen

Liever op papier of op het scherm? Voor groep 7 hebben we:

Rekenspelletjes groep 8

Wat er speelt: Onderhouden en vlot maken: breuken, procenten, kommagetallen en verhoudingen door elkaar, met de doorstroomtoets in zicht.

  1. De rekenescape

    Vijf opdrachten verspreid door het lokaal, en elk antwoord is een cijfer van een code van vijf cijfers. De code opent een doos met iets lekkers, of gewoon het bordje "gelukt". Teams van drie, een tijdslimiet van twintig minuten, en niemand merkt dat er veertig sommen gemaakt zijn.

    Nodig: Opdrachtkaarten en een cijferslot of doos

  2. Kwartet van verhoudingen

    Een kwartet bestaat uit vier schrijfwijzen van dezelfde waarde: 1/4, 25%, 0,25 en "een kwart". Vraag ze bij elkaar zoals bij gewoon kwartetten. Het is dé oefening voor groep 8, want op de toets staan breuken, procenten en kommagetallen voortdurend door elkaar.

    Nodig: Zelfgemaakte kwartetkaarten

  3. Het klassenfeest van 100 euro

    Plan in groepjes een klassenfeest met een budget van 100 euro: drinken, hapjes, een spel. Alle prijzen komen uit een echte folder. Wie het leukste feest plant zonder over het budget te gaan, wint. Vermenigvuldigen, optellen en afronden met echte bedragen, en veel discussie over wat nodig is.

    Nodig: Een supermarktfolder en een rekenblad

  4. Kop of munt, en dan tellen

    Voorspel hoe vaak het munt wordt bij twintig worpen, gooi, en tel. Daarna met een dobbelsteen: hoe vaak een zes bij dertig worpen? De klas ontdekt dat de uitkomst zelden precies klopt maar wel altijd in de buurt ligt. Kans en verhouding in één proefje.

    Nodig: Een munt en een dobbelsteen

  5. Toetsquiz in teams

    Neem opgaven in de stijl van de doorstroomtoets, verdeel de klas in teams en geef per vraag een vaste tijd. Ieder team schrijft zijn antwoord op een wisbordje en laat het tegelijk zien. Dezelfde stof als de toets, maar met de spanning van een quiz in plaats van een toets.

    Nodig: Wisbordjes en een oefenblad

Liever op papier of op het scherm? Voor groep 8 hebben we:

Waarom een spelletje werkt, en wanneer niet

Rekenen heeft twee kanten. Nieuwe stof moet worden uitgelegd, en dat doet een spel niet; daar is de instructie voor. Maar daarna moet de stof vlot worden, en dat gaat alleen door herhalen: de tafels, de splitsingen van tien, de sommen over het tiental. Die herhaling is saai op een werkblad en leuk in een spel, en dat is het hele geheim. Een kind dat tafelbal speelt, maakt in tien minuten meer keersommen dan op een blad, en merkt het niet.

Kies daarom een spel dat past bij wat al is uitgelegd, niet bij wat nog moet komen. En houd het kort: de meeste spelletjes hier zijn in vijf tot tien minuten gespeeld. Als opwarmer, als afsluiter, of voor het laatste kwartier van de dag.

Rekenspelletjes per groep in cijfers

Op deze pagina staan 30 spelletjes, waarvan er 5 helemaal niets nodig hebben. Per groep:

Wat er per groep speelt, en wat er op deze pagina voor staat
GroepRekenstofSpelletjesEigen oefeningen
Groep 3 Optellen en aftrekken tot 20, splitsen, en getallen herkennen zonder te tellen.54
Groep 4 Rekenen tot 100, sprongen van tien, en de eerste tafels: 1, 2, 5 en 10.56
Groep 5 Alle tafels tot en met 10 automatiseren, rekenen tot 1000, en de eerste deelsommen.58
Groep 6 Rekenen tot 10.000, de lastige tafels 6 tot en met 9, cijferen, en de eerste breuken.58
Groep 7 Rekenen tot 100.000, staartdelen, kommagetallen, procenten en verhoudingen.58
Groep 8 Onderhouden en vlot maken: breuken, procenten, kommagetallen en verhoudingen door elkaar, met de doorstroomtoets in zicht.59

Veelgestelde vragen over rekenspelletjes

Zijn dit online rekenspelletjes?

Nee, en dat is bewust. De spelletjes op deze pagina speel je met een dobbelsteen, een kaartspel, een bal of gewoon in de kring. Wie online wil oefenen, vindt per groep onze oefeningen eronder: sommen en kleuren, de klokkijktrainer, redactiesommen en de rekenwerkbladen werken ook op het scherm, met nakijken.

Welk rekenspelletje past bij welke groep?

In groep 3 draait het om optellen en aftrekken tot 20 en het splitsen van tien; spelletjes met één dobbelsteen of met vingers passen daar. Groep 4 en 5 zijn de tafeljaren: tafelbal, tafelbingo en dobbeltafels. Vanaf groep 6 komen schatten, cijferen en breuken erbij, en in groep 7 en 8 procenten, kommagetallen en verhoudingen, bijvoorbeeld met een winkeltje of een kwartet. Elke sectie hierboven begint met de rekenstof van die groep.

Hoe lang duurt zo'n spelletje?

De meeste zijn in vijf tot tien minuten gespeeld en bedoeld als opwarmer, als afsluiter of voor de laatste tien minuten van de dag. De rekenescape en het klassenfeest zijn de uitzondering: daar trek je een les voor uit.

Werken deze spelletjes ook thuis, met één kind?

De meeste wel. Dobbelsteen-optellen, meer of minder, dobbeltafels, drie stenen één doel en kop of munt zijn met zijn tweeën net zo leuk als met een klas. De kringspelletjes en de teamquiz hebben een groep nodig; daar staat het bij.

Helpt spelen echt bij rekenen?

Bij automatiseren wel: de tafels en de sommen tot 20 moeten zo vaak langskomen dat ze vanzelf gaan, en een spel maakt die herhaling draaglijk. Voor nieuwe stof uitleggen is een spel niet de plek; daar is de instructie voor. Een spelletje werkt het best als de stof al een keer is uitgelegd en nu vlot moet worden.

Meer rekenen

Alle rekenoefeningen op een rij, met de leerlijn per groep, staan op de rekenpagina. Wie een werkblad wil dat precies bij één groep past, begint bij de rekenwerkbladen; wie de tafels erin wil stampen, bij tafels oefenen.

Laatst bijgewerkt: