Direct naar de inhoud

Woordsoorten oefenen

Benoem de woordsoort van het dikgedrukte woord, in een hele zin, want "hard" is een bijwoord in hij loopt hard en een bijvoeglijk naamwoord in een harde bal. Gratis oefenen of printen, met de herkenningstruc bij elke fout.

Welke woordsoorten?

213 opgaven beschikbaar met deze keuze.

Liever kant-en-klaar? Het Schooljaarpakket bundelt 49 werkbladen in één PDF, met alle antwoorden achterin. Eerst kijken kan met het gratis proefpakket, zonder e-mailadres.

In het kort

Woordsoorten benoemen, van zelfstandig naamwoord tot lidwoord, oefen je hier met 36 echte zinnen. Bij het nakijken staat per woord uitgelegd waaróm het die soort is, zodat het ontleden ook echt gaat landen. Gratis online of als werkblad met antwoorden.

De negen woordsoorten op een rij

Bij elke woordsoort hoort een vraag die je jezelf kunt stellen. Die vraag is bruikbaarder dan de definitie. Hem toepassen kost twee seconden.

lidwoord · lw

Een lidwoord staat voor een zelfstandig naamwoord. Het Nederlands heeft er maar drie.

Herkennen: Er zijn er precies drie: de, het en een. Meer bestaan er niet, dus deze zijn zo geleerd.

Voorbeelden: de hond · het huis · een fiets

zelfstandig naamwoord · zn

Een zelfstandig naamwoord is een naam voor een ding, dier, mens, plaats of gevoel.

Herkennen: Kun je er "de" of "het" voor zetten? Dan is het een zelfstandig naamwoord: de tafel, het geluk.

Voorbeelden: hond · school · vrijheid · Amsterdam

bijvoeglijk naamwoord · bn

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

Herkennen: Past het in "de … auto" of "het is …"? Dan is het bijvoeglijk: de rode auto, het is mooi.

Voorbeelden: rood · grote · oude · lief

werkwoord · ww

Een werkwoord zegt wat er gebeurt of hoe iets is.

Herkennen: Kun je er "ik" of "wij" voor zetten en verandert het mee met de tijd? Dan is het een werkwoord.

Voorbeelden: lopen · is · heeft · blaft

voornaamwoord · vnw

Een voornaamwoord vervangt een zelfstandig naamwoord of hoort erbij: ik, jij, mijn, die, wie.

Herkennen: Verwijst het woord naar iemand of iets zonder het te noemen? Dan is het een voornaamwoord.

Voorbeelden: ik · jij · mijn · onze · die

bijwoord · bw

Een bijwoord zegt iets over een werkwoord, over een bijvoeglijk naamwoord of over de hele zin.

Herkennen: Zegt het hoe, wanneer of waar iets gebeurt, en hoort het niet bij een zelfstandig naamwoord? Dan is het een bijwoord: hij loopt snel, wij gaan morgen.

Voorbeelden: snel · morgen · hier · heel

voorzetsel · vz

Een voorzetsel geeft een plaats, tijd of richting aan en staat voor een zelfstandig naamwoord.

Herkennen: Past het in "… de kast"? Op de kast, in de kast, onder de kast, naast de kast. Dan is het een voorzetsel.

Voorbeelden: op · in · onder · met · naar

voegwoord · vw

Een voegwoord verbindt twee woorden of twee zinsdelen met elkaar.

Herkennen: Plakt het twee stukken aan elkaar? En, maar, want, omdat, of. Haal je het weg, dan vallen de delen uit elkaar.

Voorbeelden: en · maar · want · omdat · of

telwoord · tw

Een telwoord geeft een aantal of een volgorde aan.

Herkennen: Zegt het hoeveel of de hoeveelste? Drie appels, de eerste dag, veel mensen.

Voorbeelden: drie · eerste · veel · honderd

Welke woordsoorten zijn er, en hoe kort je ze af?

De negen woordsoorten, hun afkorting op school en een voorbeeldzin uit de oefening
WoordsoortAfkortingVoorbeeldzin uit de oefening
lidwoord lwDe hond blaft hard.
zelfstandig naamwoord znDe hond blaft hard.
bijvoeglijk naamwoord bnHet kleine meisje lacht.
werkwoord wwDe hond blaft hard.
voornaamwoord vnwMijn zus fietst naar school.
bijwoord bwDe hond blaft hard.
voorzetsel vzMijn zus fietst naar school.
voegwoord vwZij koopt twee boeken en een pen.
telwoord twWij eten drie appels.

Het dikgedrukte woord is de woordsoort van die rij. Alle zinnen staan zo ook in de oefening hierboven.

Wat voor woordsoort is "met", "van" of "naar"?

Dit zijn de woorden die het vaakst los worden opgezocht, en dat is geen toeval: je kunt er geen plaatje bij bedenken, dus de vraag "wat voor woord is dit eigenlijk" komt vanzelf. De meeste zijn een voorzetsel, een bijwoord of een voegwoord. Bij 4 ervan hangt het antwoord van de zin af, en die staan er met beide mogelijkheden in. Dat is precies de reden dat de oefening hierboven met hele zinnen werkt.

De woorden die het vaakst worden opgezocht, met hun woordsoort en een zin waarin je het ziet
WoordWoordsoortIn een zin
met voorzetselIk ga met de fiets.
van voorzetselDat is de tas van Anna.
naar voorzetsel of bijvoeglijk naamwoord (hangt af van de zin)Wij lopen naar school. · Wat een nare droom.
aan voorzetsel of bijwoord (hangt af van de zin)De jas hangt aan de haak. · Het licht is aan.
is werkwoordMijn broer is ziek.
er bijwoordEr staat een boom in de tuin.
dat voornaamwoord of voegwoord (hangt af van de zin)Dat boek is van mij. · Ik denk dat het gaat regenen.
en voegwoordBrood en kaas.
maar voegwoord of bijwoord (hangt af van de zin)Klein maar dapper. · Het was maar een grapje.
of voegwoordWil je thee of koffie?
want voegwoordIk blijf thuis, want het regent.
niet bijwoordHij komt niet.
wel bijwoordZij komt wel.
ook bijwoordIk wil ook een ijsje.

Twijfel je bij een woord dat hier niet staat? Gebruik de herkenningsvraag bij de woordsoort hierboven, en kijk altijd naar de hele zin.

Negen of tien woordsoorten?

Je komt beide getallen tegen, en dat verschil zit hem in één woordsoort: het tussenwerpsel (au, hè, oei). Een tussenwerpsel heeft geen grammaticale band met de rest van de zin. Het staat er los naast, en daarom laten veel schoolmethodes hem buiten beschouwing. Wie hem meetelt komt op tien, wie hem weglaat op negen. Hier oefen je de negen woordsoorten die wél een rol in de zin spelen.

Taalkundig of redekundig ontleden?

Deze pagina gaat over taalkundig ontleden: per wóórd benoemen wat voor soort woord het is. Bij redekundig ontleden benoem je juist de functie van hele zinsdelen. Onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp. In "De hond blaft hard" is hond taalkundig een zelfstandig naamwoord en redekundig het onderwerp. Twee verschillende vragen over hetzelfde woord.

Waar je verder kunt kijken

Voor de naslag zelf, met alle onderverdelingen van het voornaamwoord en de gevallen waar taalkundigen het oneens over zijn, kun je terecht bij het Taalloket van Onze Taal. Wat er in welk leerjaar aan bod hoort te komen, staat in de leerlijn taalbeschouwing van SLO. Deze pagina is er voor het oefenen.

Wat deze oefening goed doet

Veelgestelde vragen over woordsoorten

Hoeveel woordsoorten kent het Nederlands: 9 of 10?

Allebei de antwoorden kom je tegen, en dat komt door één woordsoort: het tussenwerpsel (au, hè, oei). Wie die meetelt komt op tien, wie hem weglaat op negen. Een tussenwerpsel heeft namelijk geen grammaticale band met de rest van de zin. Het staat er los naast, en daarom laten veel schoolmethodes hem buiten beschouwing. Op deze pagina oefen je de negen woordsoorten die wél een rol in de zin spelen.

Is "met" een voorzetsel?

Ja. "Met" is een voorzetsel, net als "van", "naar", "op" en "in": het staat voor een zelfstandig naamwoord en zegt hoe, waarmee of waarheen. Ik ga met de fiets, de tas van Anna, wij lopen naar school. Let op het verschil met "mee": dat is een bijwoord, zoals in "ga je mee?". En "naar" kan ook een bijvoeglijk naamwoord zijn, in "een nare droom". Kijk dus altijd naar de zin.

Wat zijn de woordsoorten?

Lidwoord (de, het, een), zelfstandig naamwoord (hond, school), bijvoeglijk naamwoord (rood, groot), werkwoord (lopen, is), voornaamwoord (ik, mijn, die), bijwoord (snel, morgen, hier), voorzetsel (op, in, met), voegwoord (en, maar, omdat) en telwoord (drie, eerste, veel). Daarnaast bestaat het tussenwerpsel, dat vaak apart wordt gezet.

Waarom oefen je woordsoorten met hele zinnen en niet met losse woorden?

Omdat veel Nederlandse woorden pas in een zin een woordsoort krijgen. "Hard" is een bijwoord in "hij loopt hard" en een bijvoeglijk naamwoord in "een harde bal". "Door" is een voorzetsel in "door de tuin" en een bijwoord in "hij werkt door". Wie losse woorden laat benoemen, stelt een vraag die geen goed antwoord heeft.

Hoe herken je een bijvoeglijk naamwoord?

Probeer het in twee zinnetjes: "de … auto" en "het is …". Past het woord in allebei, dan is het bijvoeglijk. De rode auto, het is rood. Let op het verschil met een bijwoord: dat hoort bij een werkwoord, niet bij een zelfstandig naamwoord. In "de snelle auto" is snelle bijvoeglijk, in "de auto rijdt snel" is snel een bijwoord.

Wat is het verschil tussen een voorzetsel en een bijwoord?

Een voorzetsel staat vóór een zelfstandig naamwoord en geeft plaats, tijd of richting aan: op de kast, in het bos, na de pauze. Een bijwoord staat op zichzelf en zegt iets over het werkwoord: hij werkt door, wij gaan morgen. Dezelfde woorden kunnen allebei zijn: "door de tuin" is een voorzetsel, "hij werkt door" een bijwoord.

In welke groep leer je woordsoorten?

In groep 7 en 8, en daarna keren ze terug in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Eerder starten kan ook: zet in groep 6 alleen lidwoord, zelfstandig naamwoord en werkwoord op het werkblad, dat zijn de drie die kinderen het snelst herkennen.

Is dit taalkundig of redekundig ontleden?

Taalkundig ontleden. Daarbij benoem je per woord wat voor soort woord het is: lidwoord, werkwoord, bijwoord. Bij redekundig ontleden benoem je juist de functie van hele zinsdelen. Onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp. Dat zijn twee verschillende dingen die vaak door elkaar worden gehaald.

Meer taal oefenen

De tegenhanger van deze pagina is redekundig ontleden: daar benoem je niet per woord de soort, maar per zinsdeel de functie. Onderwerp, lijdend voorwerp, bijwoordelijke bepaling. Verder gratis op MaakJePuzzel: werkwoordspelling, 't kofschip met checker, d of t, spellingwerkbladen (ei of ij, au of ou, d of t), of een woordzoeker met je eigen woorden.

Laatst bijgewerkt: