Woordsoorten oefenen
Benoem de woordsoort van het dikgedrukte woord — in een hele zin, want "hard" is een bijwoord in hij loopt hard en een bijvoeglijk naamwoord in een harde bal. Gratis oefenen of printen, met de herkenningstruc bij elke fout.
213 opgaven beschikbaar met deze keuze.
Woordsoorten oefenen
Welke woordsoort is het dikgedrukte woord?
De negen woordsoorten op een rij
Bij elke woordsoort hoort een vraag die je jezelf kunt stellen. Die vraag is bruikbaarder dan de definitie — hem toepassen kost twee seconden.
lidwoord · lw
Een lidwoord staat voor een zelfstandig naamwoord. Het Nederlands heeft er maar drie.
Herkennen: Er zijn er precies drie: de, het en een. Meer bestaan er niet, dus deze zijn zo geleerd.
Voorbeelden: de hond · het huis · een fiets
zelfstandig naamwoord · zn
Een zelfstandig naamwoord is een naam voor een ding, dier, mens, plaats of gevoel.
Herkennen: Kun je er "de" of "het" voor zetten? Dan is het een zelfstandig naamwoord: de tafel, het geluk.
Voorbeelden: hond · school · vrijheid · Amsterdam
bijvoeglijk naamwoord · bn
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
Herkennen: Past het in "de … auto" of "het is …"? Dan is het bijvoeglijk: de rode auto, het is mooi.
Voorbeelden: rood · grote · oude · lief
werkwoord · ww
Een werkwoord zegt wat er gebeurt of hoe iets is.
Herkennen: Kun je er "ik" of "wij" voor zetten en verandert het mee met de tijd? Dan is het een werkwoord.
Voorbeelden: lopen · is · heeft · blaft
voornaamwoord · vnw
Een voornaamwoord vervangt een zelfstandig naamwoord of hoort erbij: ik, jij, mijn, die, wie.
Herkennen: Verwijst het woord naar iemand of iets zonder het te noemen? Dan is het een voornaamwoord.
Voorbeelden: ik · jij · mijn · onze · die
bijwoord · bw
Een bijwoord zegt iets over een werkwoord, over een bijvoeglijk naamwoord of over de hele zin.
Herkennen: Zegt het hoe, wanneer of waar iets gebeurt — en hoort het niet bij een zelfstandig naamwoord? Dan is het een bijwoord: hij loopt snel, wij gaan morgen.
Voorbeelden: snel · morgen · hier · heel
voorzetsel · vz
Een voorzetsel geeft een plaats, tijd of richting aan en staat voor een zelfstandig naamwoord.
Herkennen: Past het in "… de kast"? Op de kast, in de kast, onder de kast, naast de kast. Dan is het een voorzetsel.
Voorbeelden: op · in · onder · met · naar
voegwoord · vw
Een voegwoord verbindt twee woorden of twee zinsdelen met elkaar.
Herkennen: Plakt het twee stukken aan elkaar? En, maar, want, omdat, of. Haal je het weg, dan vallen de delen uit elkaar.
Voorbeelden: en · maar · want · omdat · of
telwoord · tw
Een telwoord geeft een aantal of een volgorde aan.
Herkennen: Zegt het hoeveel of de hoeveelste? Drie appels, de eerste dag, veel mensen.
Voorbeelden: drie · eerste · veel · honderd
Negen of tien woordsoorten?
Je komt beide getallen tegen, en dat verschil zit hem in één woordsoort: het tussenwerpsel (au, hè, oei). Een tussenwerpsel heeft geen grammaticale band met de rest van de zin — het staat er los naast — en daarom laten veel schoolmethodes hem buiten beschouwing. Wie hem meetelt komt op tien, wie hem weglaat op negen. Hier oefen je de negen woordsoorten die wél een rol in de zin spelen.
Taalkundig of redekundig ontleden?
Deze pagina gaat over taalkundig ontleden: per wóórd benoemen wat voor soort woord het is. Bij redekundig ontleden benoem je juist de functie van hele zinsdelen — onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp. In "De hond blaft hard" is hond taalkundig een zelfstandig naamwoord en redekundig het onderwerp. Twee verschillende vragen over hetzelfde woord.
Waar je verder kunt kijken
Voor de naslag zelf — met alle onderverdelingen van het voornaamwoord en de gevallen waar taalkundigen het oneens over zijn — kun je terecht bij het Taalloket van Onze Taal. Wat er in welk leerjaar aan bod hoort te komen, staat in de leerlijn taalbeschouwing van SLO. Deze pagina is er voor het oefenen.
Wat deze oefening goed doet
- Altijd een hele zin. Losse woorden benoemen is een vraag zonder goed antwoord: door is een voorzetsel in "door de tuin" en een bijwoord in "hij werkt door". Beide staan als voorbeeld in de oefening.
- De afleiders komen uit dezelfde zin. Dat zijn de woordsoorten die er op dat moment toe doen; drie willekeurige termen kun je meteen wegstrepen en leren niets.
- Bij elke fout de herkenningsvraag, niet alleen het goede antwoord — op het scherm én op de antwoordpagina van de PDF.
- Alleen onbetwiste gevallen. Zinnen met randgevallen waar grammatica's het niet over eens zijn (zoals het woordje "er") zijn er bewust uit gehaald.
- Woordsoorten los aan en uit, zodat je klein kunt beginnen met alleen lidwoord, zelfstandig naamwoord en werkwoord.
Veelgestelde vragen over woordsoorten
Hoeveel woordsoorten kent het Nederlands: 9 of 10?
Allebei de antwoorden kom je tegen, en dat komt door één woordsoort: het tussenwerpsel (au, hè, oei). Wie die meetelt komt op tien, wie hem weglaat op negen. Een tussenwerpsel heeft namelijk geen grammaticale band met de rest van de zin — het staat er los naast — en daarom laten veel schoolmethodes hem buiten beschouwing. Op deze pagina oefen je de negen woordsoorten die wél een rol in de zin spelen.
Wat zijn de woordsoorten?
Lidwoord (de, het, een), zelfstandig naamwoord (hond, school), bijvoeglijk naamwoord (rood, groot), werkwoord (lopen, is), voornaamwoord (ik, mijn, die), bijwoord (snel, morgen, hier), voorzetsel (op, in, met), voegwoord (en, maar, omdat) en telwoord (drie, eerste, veel). Daarnaast bestaat het tussenwerpsel, dat vaak apart wordt gezet.
Waarom oefen je woordsoorten met hele zinnen en niet met losse woorden?
Omdat veel Nederlandse woorden pas in een zin een woordsoort krijgen. "Hard" is een bijwoord in "hij loopt hard" en een bijvoeglijk naamwoord in "een harde bal". "Door" is een voorzetsel in "door de tuin" en een bijwoord in "hij werkt door". Wie losse woorden laat benoemen, stelt een vraag die geen goed antwoord heeft.
Hoe herken je een bijvoeglijk naamwoord?
Probeer het in twee zinnetjes: "de … auto" en "het is …". Past het woord in allebei, dan is het bijvoeglijk. De rode auto, het is rood. Let op het verschil met een bijwoord: dat hoort bij een werkwoord, niet bij een zelfstandig naamwoord. In "de snelle auto" is snelle bijvoeglijk, in "de auto rijdt snel" is snel een bijwoord.
Wat is het verschil tussen een voorzetsel en een bijwoord?
Een voorzetsel staat vóór een zelfstandig naamwoord en geeft plaats, tijd of richting aan: op de kast, in het bos, na de pauze. Een bijwoord staat op zichzelf en zegt iets over het werkwoord: hij werkt door, wij gaan morgen. Dezelfde woorden kunnen allebei zijn — "door de tuin" is een voorzetsel, "hij werkt door" een bijwoord.
Voor welke groep is dit?
Woordsoorten komen meestal in groep 7 en 8 aan bod en keren terug in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Je kunt zelf kiezen welke woordsoorten op het werkblad komen, dus je kunt klein beginnen met alleen lidwoord, zelfstandig naamwoord en werkwoord.
Is dit taalkundig of redekundig ontleden?
Taalkundig ontleden. Daarbij benoem je per woord wat voor soort woord het is: lidwoord, werkwoord, bijwoord. Bij redekundig ontleden benoem je juist de functie van hele zinsdelen — onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp. Dat zijn twee verschillende dingen die vaak door elkaar worden gehaald.
Meer taal oefenen
Ook gratis op MaakJePuzzel: werkwoordspelling, 't kofschip met checker, spellingwerkbladen (ei of ij, au of ou, d of t), of een woordzoeker met je eigen woorden.
Laatst bijgewerkt: 31 juli 2026