Taal oefenen
Spelling, werkwoordspelling, 't kofschip en woordsoorten — met bij elke fout de reden erbij.
In het kort
De 5 taaltools hierboven zijn voor groep 4 tot en met 8 en de brugklas: spelling (6 categorieën zoals ei of ij, au of ou en d of t), werkwoordspelling, 't kofschip, de 9 woordsoorten en dictee met voorleesstem.
Alles werkt in de browser zonder account, en op de kofschip-uitleg na is elke oefening ook als PDF met antwoordblad te printen. Bij een fout krijg je niet alleen het goede antwoord maar de regel die geldt — bij verhuisde bijvoorbeeld dat je 't kofschip toepast op het hele werkwoord (verhuiz-, eindigt op een z) en niet op de ik-vorm (verhuis, eindigt op een s).
Alle taaltools op een rij
| Tool | Geschikt voor | Wat je krijgt |
|---|---|---|
| Dictee oefenen | Groep 4 t/m 8 | Voorleesstem online + voorleesblad als PDF |
| Spelling werkbladen | Groep 4 t/m 8 | Online + PDF, met de reden bij elke fout |
| Werkwoordspelling | Groep 6 t/m 8, brugklas | Online + PDF, met de reden bij elke fout |
| 't Kofschip | Groep 7 t/m 8, brugklas, volwassenen | Online uitleg per werkwoord |
| Woordsoorten | Groep 7 t/m 8, brugklas | Online + PDF, met de herkenningstruc |
Wat oefen je wanneer?
| Onderdeel | Meestal |
|---|---|
| Spelling: ei of ij, au of ou, d of t aan het eind | groep 4-8 |
| Verkleinwoorden, meervoud, korte en lange klank | groep 4-7 |
| Werkwoordspelling: tegenwoordige tijd, verleden tijd, deelwoord | groep 6-8 |
| 't Kofschip: wanneer -te en wanneer -de | groep 7-8 |
| Woordsoorten (taalkundig ontleden) | groep 7-8 |
De spellingcategorieën
Het spellingwerkblad kent 6 categorieën die je los aan en uit kunt zetten. Bij elke hoort een truc om het te controleren:
- ei of ij Er is geen regel voor. Wel helpen woordfamilies: wie weet dat het "wijs" is, weet ook "wijsheid" en "bewijzen".
- au of ou Woorden met -auw zijn een kleine, vaste groep: blauw, flauw, gauw, grauw, lauw, nauw, rauw, pauw, klauw en dauw. Ken je die groep, dan schrijf je de rest met -ouw: koud, goud, vrouw, touw, mouw.
- d of t aan het eind Maak het woord langer. Zeg er meerdere van, of zet er een woord achter: honden — dus hond met een d. Katten — dus kat met een t.
- Verkleinwoorden Luister naar het einde. Na een klinker of een l, n, r meestal -tje. Na een m vaak -pje. Na een korte klank met één medeklinker komt er -etje, en dan verdubbelt die medeklinker.
- Meervoud: -en of -s Zeg het hardop. Klinkt "tafelen" gek en "tafels" goed? Dan is het -s. Let bij -en op de spelling: een korte klank verdubbelt de medeklinker (kat → katten), een lange klank verliest er juist een (muur → muren).
- Korte of lange klank Verdeel het woord in stukjes. Hoor je een korte klank (pot-ten), dan verdubbel je. Hoor je een lange klank (bo-men), dan schrijf je er maar één klinker.
De negen woordsoorten
Bij taalkundig ontleden benoem je per woord welke woordsoort het is. Dit zijn de negen die een rol in de zin spelen:
- lidwoord — de hond, het huis, een fiets
- zelfstandig naamwoord — hond, school, vrijheid
- bijvoeglijk naamwoord — rood, grote, oude
- werkwoord — lopen, is, heeft
- voornaamwoord — ik, jij, mijn
- bijwoord — snel, morgen, hier
- voorzetsel — op, in, onder
- voegwoord — en, maar, want
- telwoord — drie, eerste, veel
Wat deze werkbladen goed doen
- Bij elke fout de reden. Niet "fout, het is honden", maar "maak het woord langer: honden, dus hond met een d". Dat is het verschil tussen nakijken en leren.
- 't Kofschip op het hele werkwoord, niet op de ik-vorm — daarom komt er verhuisde uit en niet verhuiste, precies waar veel oefensites de mist in gaan.
- Woordsoorten altijd in een hele zin. "Hard" is een bijwoord in hij loopt hard en een bijvoeglijk naamwoord in een harde bal; losse woorden benoemen is een vraag zonder goed antwoord.
- Onregelmatige werkwoorden apart. Zet je ze uit, dan oefen je puur de regel; zet je ze aan, dan wordt erbij verteld dat de regel er niet geldt.
- Geen randgevallen. Zinnen waar grammatica's het niet over eens zijn, staan er bewust niet in.
Veelgestelde vragen over taal oefenen
Wat is het verschil tussen spelling en werkwoordspelling?
Bij gewone spelling gaat het om hoe een woord geschreven wordt: ei of ij, au of ou, een d of een t aan het eind. Werkwoordspelling is een apart hoofdstuk met eigen regels, omdat de vorm van een werkwoord verandert met de tijd en de persoon. Daar komt 't kofschip bij kijken, en de vraag of je een t achter de stam zet.
Waarom is het verhuisde en niet verhuiste?
Omdat je 't kofschip toepast op het hele werkwoord zonder -en, niet op de ik-vorm. Bij verhuizen is dat "verhuiz" en dat eindigt op een z — die zit niet in 't kofschip, dus wordt het verhuisde. Wie naar "ik verhuis" kijkt ziet een s en schrijft verhuiste, en dat is fout. Hetzelfde geldt voor leven (leefde) en verven (verfde).
Hoe weet je of een woord op een d of een t eindigt?
Maak het woord langer. Aan het eind van een woord klinkt een d altijd als een t, dus je hoort geen verschil tussen hond en hont. Zeg er meerdere van: honden — dus hond met een d. Katten — dus kat met een t.
Wat is het verschil tussen taalkundig en redekundig ontleden?
Bij taalkundig ontleden benoem je per wóórd wat voor soort woord het is: lidwoord, werkwoord, bijwoord. Bij redekundig ontleden benoem je de functie van hele zinsdelen: onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp. In "De hond blaft hard" is hond taalkundig een zelfstandig naamwoord en redekundig het onderwerp.
Zitten de antwoorden erbij?
Ja, en niet alleen het goede antwoord. Bij elke fout krijg je de reden: de regel die geldt of de truc waarmee je het controleert. Dat staat op het scherm én op de antwoordpagina van de PDF, zodat ook iemand die de regels niet paraat heeft kan nakijken.
Ook op MaakJePuzzel
Naast taal zijn er werkbladen voor rekenen (sommen per groep, rekenkleurplaten en klokkijken) en een reeks puzzels. Tip voor de klas: stop de spellingwoorden van deze week in een woordzoeker — dan oefenen kinderen dezelfde woorden zonder dat het op oefenen lijkt.
Laatst bijgewerkt: 31 juli 2026