Spelling werkbladen maken
Kies de categorieën waar je klas mee bezig is — ei of ij, au of ou, d of t, verkleinwoorden, meervoud of korte en lange klank — en je hebt binnen een minuut een werkblad. Met antwoorden én de reden erbij.
122 oefeningen beschikbaar in deze categorieën.
Spelling oefenen
Vul het ontbrekende stuk in, of schrijf het gevraagde woord op.
De categorieën en hun regel
Bij elke categorie hoort een regel én een truc om hem te controleren. Die truc krijgt een kind hier ook te zien zodra er iets fout gaat:
ei of ij · groep 4-8
De korte ei en de lange ij klinken hetzelfde, maar je hoort niet welke het is. Je moet per woord weten hoe het geschreven wordt.
Truc: Er is geen regel voor. Wel helpen woordfamilies: wie weet dat het "wijs" is, weet ook "wijsheid" en "bewijzen".
au of ou · groep 4-8
De au van pauw en de ou van goud klinken hetzelfde. Ook hier hoor je het verschil niet — je moet het woord kennen.
Truc: Woorden met -auw zijn een kleine, vaste groep: blauw, flauw, gauw, grauw, lauw, nauw, rauw, pauw, klauw en dauw. Ken je die groep, dan schrijf je de rest met -ouw: koud, goud, vrouw, touw, mouw.
d of t aan het eind · groep 4-6
Aan het eind van een woord klinkt een d als een t. Je hoort dus niet of er hond of hont staat.
Truc: Maak het woord langer. Zeg er meerdere van, of zet er een woord achter: honden — dus hond met een d. Katten — dus kat met een t.
Verkleinwoorden · groep 4-6
Een verkleinwoord eindigt op -je, -tje, -pje, -kje of -etje. Welke het wordt, hangt af van de laatste klanken van het woord.
Truc: Luister naar het einde. Na een klinker of een l, n, r meestal -tje. Na een m vaak -pje. Na een korte klank met één medeklinker komt er -etje, en dan verdubbelt die medeklinker.
Meervoud: -en of -s · groep 4-7
De meeste Nederlandse woorden krijgen -en in het meervoud. Woorden die eindigen op een toonloze lettergreep krijgen vaak -s.
Truc: Zeg het hardop. Klinkt "tafelen" gek en "tafels" goed? Dan is het -s. Let bij -en op de spelling: een korte klank verdubbelt de medeklinker (kat → katten), een lange klank verliest er juist een (muur → muren).
Korte of lange klank · groep 4-5
Als er een lettergreep bij komt, verandert de spelling: een korte klank verdubbelt de medeklinker, een lange klank verliest een klinker.
Truc: Verdeel het woord in stukjes. Hoor je een korte klank (pot-ten), dan verdubbel je. Hoor je een lange klank (bo-men), dan schrijf je er maar één klinker.
Wat dit werkblad goed doet
- Bij elke fout staat de reden. Niet "fout, het is honden", maar "maak het woord langer: honden, dus hond met een d". Dat is het verschil tussen nakijken en leren.
- Categorieën apart aan en uit. Werkt je klas deze week aan verkleinwoorden, dan staat er niets anders op het blad.
- Geen woord twee keer op één blad, ook niet als het in twee categorieën voorkomt — muur → muren is zowel meervoud als lange klank.
- Bij een keuze staan beide mogelijkheden erbij om te omcirkelen, zoals op een echt spellingwerkblad.
- De antwoordpagina bevat dezelfde uitleg, zodat een ouder of klassenassistent kan nakijken zonder de regels te kennen.
Veelgestelde vragen over spelling
Hoe weet je of het ei of ij is?
Dat hoor je niet — de korte ei en de lange ij klinken hetzelfde. Er bestaat geen regel voor; je moet per woord weten hoe het geschreven wordt. Wat wél helpt zijn woordfamilies: wie weet dat het "wijs" is, weet ook "wijsheid", "bewijzen" en "wijzer". Oefenen met dezelfde woorden is hier de enige route.
Wanneer schrijf je au en wanneer ou?
Ook dat hoor je niet. De woorden met -auw zijn een kleine, vaste groep: blauw, flauw, gauw, grauw, lauw, nauw, rauw, pauw, klauw en dauw. Ken je die groep, dan schrijf je de rest met -ouw: koud, goud, vrouw, touw, mouw. Daarnaast bestaan er au-woorden zonder w, zoals auto, saus, paus en augustus.
Hoe weet je of een woord op een d of een t eindigt?
Maak het woord langer. Aan het eind van een woord klinkt een d altijd als een t, dus je hoort geen verschil tussen hond en hont. Zeg er meerdere van of zet er een woord achter: honden — dus hond met een d. Katten — dus kat met een t. Deze verlengingstruc werkt bij elk zelfstandig naamwoord.
Welk verkleinwoord komt waar?
Dat hangt af van de laatste klanken. Na een l, n of r komt meestal -tje (stoeltje, schoentje, deurtje). Na een m komt -pje (boompje, armpje). Na een korte klank met één medeklinker komt -etje, en die medeklinker verdubbelt (bal wordt balletje, man wordt mannetje). In de overige gevallen is het gewoon -je (katje, boekje, huisje).
Krijgt een woord -en of -s in het meervoud?
De meeste Nederlandse woorden krijgen -en. Woorden die eindigen op een toonloze lettergreep krijgen vaak -s: tafels, appels. Let bij -en op de spelling: een korte klank verdubbelt de medeklinker (kat wordt katten), een lange klank verliest juist een klinker (muur wordt muren). Na een losse klinker komt een apostrof: oma's, foto's.
Voor welke groep zijn deze werkbladen?
Groep 4 tot en met 8, afhankelijk van de categorie. Korte en lange klank en d of t horen bij groep 4 en 5, verkleinwoorden bij groep 4 tot 6, en ei of ij, au of ou en meervoud blijven het hele traject terugkomen. Je kiest zelf welke categorieën op het blad komen.
Zitten de antwoorden erbij?
Ja. Op het scherm zie je na "Nakijken" welke fout zijn, mét de reden. De PDF bevat een tweede pagina met alle antwoorden en dezelfde uitleg, zodat nakijken geen tijd kost.
Meer taal en rekenen
Werkwoorden zijn een verhaal apart: daarvoor is er de oefening werkwoordspelling en 't kofschip met checker. Verder gratis op MaakJePuzzel: rekenwerkbladen per groep, klokkijken, en een woordzoeker met je eigen spellingwoorden — handig om precies de woorden van deze week te oefenen.
Laatst bijgewerkt: 31 juli 2026