Direct naar de inhoud

Werkwoordspelling oefenen

Tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord. Vul de zinnen in en zie bij elke fout waaróm het anders moet: niet alleen dát het fout is. Gratis, ook als werkblad met antwoorden.

Welke vormen wil je oefenen?

Liever kant-en-klaar? Het Schooljaarpakket bundelt 49 werkbladen in één PDF, met alle antwoorden achterin. Eerst kijken kan met het gratis proefpakket, zonder e-mailadres.

In het kort

Werkwoordspelling oefenen op MaakJePuzzel: tegenwoordige tijd, verleden tijd en het voltooid deelwoord, geoefend met een lijst van 78 werkwoorden, sterke werkwoorden erbij als je die aanzet. Bij het nakijken zie je per fout welke regel er geldt, zodat je niet alleen weet dát het fout was maar ook waarom. Gratis online of als werkblad.

Het schema: vijf stappen

Werkwoordspelling gaat bijna nooit mis omdat iemand 't kofschip niet kent, maar omdat de verkeerde vorm gekozen wordt. Dit is de volgorde:

  1. 1 Staat er een hulpwerkwoord van tijd bij? Zoals heeft, is, was of had. Dan heb je een voltooid deelwoord nodig: "Hij heeft gewerkt." Ga naar stap 4.
  2. 2 Gaat de zin over nu of over vroeger? Nu is tegenwoordige tijd, vroeger is verleden tijd. Woorden als gisteren, toen en vorige week wijzen op de verleden tijd.
  3. 3 Tegenwoordige tijd: stam, of stam + t? Bij ik is het de kale stam. Bij jij, hij, zij en u komt er een t bij. Maar staat jij ná het werkwoord, dan valt die t weg: "jij werkt" wordt "werk jij?".
  4. 4 Verleden tijd of deelwoord: pas 't kofschip toe Haal -en van het hele werkwoord af en kijk naar de laatste letter. Zit die in t, k, f, s, ch, p of is het een x, dan schrijf je -te en -t. Anders -de en -d. Let op: bij onregelmatige werkwoorden geldt dit niet.
  5. 5 Controleer de uitzonderingen Eindigt de stam al op d of t, dan komt er geen tweede bij (gepraat, niet gepraatt). En werkwoorden die beginnen met be-, ge-, her-, ont- of ver- krijgen geen ge- ervoor (betaald, niet gebetaald).

De kortste samenvatting

Eerst bepalen welke vorm je nodig hebt. Pas daarna de spelling. Wie meteen aan 't kofschip begint, schrijft "gebeurt" waar "gebeurd" moet staan.

Welke werkwoordsvormen oefen je, en wat is de regel?

De vier werkwoordsvormen in deze oefening, met de regel en een voorbeeld
VormRegelVoorbeeld: werken · spelen
Tegenwoordige tijd (hij/zij) Stam + t. Eindigt de stam zelf al op een t, dan komt er geen tweede bij.werkt · speelt
Tegenwoordige tijd met omdraaiing (… jij?) Staat jij ná het werkwoord, dan valt de t weg en schrijf je de kale stam.werk · speel
Verleden tijd Eindigt het hele werkwoord zonder -en op een letter van 't kofschip, dan stam + te. Anders stam + de.werkte · speelde
Voltooid deelwoord ge- + stam + t of d, met dezelfde keuze uit 't kofschip. Geen ge- bij be-, ge-, her-, ont- en ver-, en nooit een dubbele d of t.gewerkt · gespeeld

Werken zit in 't kofschip en spelen niet. Daar zit het hele verschil tussen werkte en speelde, en tussen gewerkt en gespeeld.

Het schema op één blad

Schema werkwoordspelling: vijf stappen om te bepalen welke werkwoordsvorm je nodig hebt, met daaronder de vier vormen, hun regel en een voorbeeld.
Het schema van deze pagina op één blad: eerst welke vorm je nodig hebt, dan hoe je hem schrijft. Het werkblad dat je hierboven downloadt bevat oefenzinnen, niet dit schema.

De regel van 't kofschip

Voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord van regelmatige werkwoorden geldt 't kofschip: haal -en van het hele werkwoord af, en zit de laatste letter in t, k, f, s, ch, p (of is het een x), dan schrijf je -te en -t. De valkuil zit in wáár je kijkt: bij verhuizen moet je naar verhuiz kijken, niet naar ik verhuis. Daarom is het verhuisde.

Op de pagina over 't kofschip staat de regel uitgebreid uitgelegd, met een checker waarin je zelf een werkwoord kunt typen. De regel zelf, met de lastige gevallen erbij, staat ook bij het Taalloket van Onze Taal.

Wat deze oefening goed doet

Veelgestelde vragen over werkwoordspelling

Wat is het schema voor werkwoordspelling?

Het stappenplan is: kijk eerst of er een hulpwerkwoord staat (dan is het een voltooid deelwoord), bepaal daarna of de zin over nu of over vroeger gaat, kies bij de tegenwoordige tijd tussen stam en stam+t, en pas bij de verleden tijd en het deelwoord 't kofschip toe. Controleer tot slot de uitzonderingen: geen dubbele d of t, en geen ge- bij be-, ge-, her-, ont- en ver-.

Waarom is het "werk jij?" en niet "werkt jij?"

Omdat de t wegvalt als jij achter het werkwoord staat. "Jij werkt hard" heeft een t, maar "Werk jij hard?" niet. Dit geldt alleen bij jij en je, niet bij hij, zij of u: "Werkt hij hard?" houdt de t wel.

Wanneer schrijf je -dt?

Als de stam zelf al op een d eindigt en er een t bij moet. Bij vinden is de stam vind, en hij vindt krijgt er een t bij: vindt. Hetzelfde bij rijden (hij rijdt) en worden (hij wordt). In de verleden tijd gebeurt dit nooit.

Waarom is het "gebeurd" en niet "gebeurt"?

Dat hangt af van de zin. "Er is iets gebeurd" is een voltooid deelwoord: gebeuren zonder -en is gebeur, eindigt op een r, dus -d. "Dat gebeurt vaak" is tegenwoordige tijd: stam gebeur plus t. Dezelfde klank, twee verschillende vormen. Daarom moet je eerst bepalen wélke vorm je nodig hebt.

Hoeveel werkwoorden zitten er in deze oefening?

Op dit moment 78: 48 regelmatige werkwoorden die verdeeld zijn over alle letters van 't kofschip, inclusief de instinkers als verhuizen en leven, en 30 onregelmatige werkwoorden die je uit je hoofd moet kennen.

In welke groep begin je met werkwoordspelling?

In groep 6, met de tegenwoordige tijd: stam en stam+t. De verleden tijd met 't kofschip komt er in groep 7 bij, en het voltooid deelwoord in groep 7 en 8. Daarna wordt alles herhaald in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Je kiest hierboven zelf welke vormen op het werkblad komen, dus je kunt met één vorm tegelijk oefenen.

Kan ik de werkbladen printen?

Ja. De PDF geeft genummerde zinnen met een invulstreep en het hele werkwoord tussen haakjes, plus een tweede pagina met de antwoorden én de reden erbij. Gratis, zonder account.

Meer oefenen

Ook gratis op MaakJePuzzel: 't kofschip met checker voor de keuze tussen -te en -de, en d of t voor de andere helft van dezelfde twijfel: "hij vindt" met dt, maar "vind jij het?" zonder t. Verder spellingwerkbladen, woordsoorten benoemen, zinsdelen ontleden, of een woordzoeker met de spellingwoorden van deze week.

Laatst bijgewerkt: