Zinsdelen
Redekundig ontleden: niet losse woorden benoemen, maar gróepen woorden en wat ze in de zin doen. Hieronder de vraag waarmee je elk zinsdeel vindt, en een oefening waarin het gevraagde stuk gemarkeerd staat.
- Gratis
- Zonder account
- Geen watermerk
- Antwoordblad erbij
- Met de vindvraag erbij
Welke zinsdelen?
127 vragen beschikbaar met deze keuze.
Welk zinsdeel is het gemarkeerde stuk?
Kies bij elke zin welk zinsdeel gemarkeerd staat.
In het kort
Zinsdelen benoemen begint altijd bij de persoonsvorm: maak de zin vragend en het werkwoord dat vooraan komt te staan is hem. Daarna volgen onderwerp, gezegde en de rest. Hier oefen je het met 37 echte zinnen, online met uitleg bij elke fout of op papier met antwoordblad.
Ontleden in drie stappen
De volgorde is niet vrijblijvend. Wie meteen naar het lijdend voorwerp zoekt, loopt vast. Je hebt de persoonsvorm en het onderwerp namelijk nodig in de vraag waarmee je de rest vindt.
1. Zoek eerst de persoonsvorm
Alles hangt hieraan. Maak van de zin een vraag: "De hond blaft" wordt "Blaft de hond?". Het werkwoord dat naar voren springt, is de persoonsvorm. Werkt dat niet, zet de zin dan in de verleden tijd. Het werkwoord dat mee verandert, is hem.
2. Dan het onderwerp
Vraag: wie of wat + persoonsvorm? Wie of wat blaft? De hond. Controle achteraf: verander het onderwerp van enkelvoud naar meervoud, dan hoort de persoonsvorm mee te veranderen. "De honden blaffen": klopt.
3. Daarna pas de rest
Het lijdend voorwerp vind je met wie of wat + persoonsvorm + onderwerp. Het meewerkend voorwerp met aan wie of voor wie. Wat er dan nog over is en iets zegt over waar, wanneer of hoe, is een bijwoordelijke bepaling.
De vijf zinsdelen
persoonsvorm · groep 7
Vraag: Welk werkwoord verandert er als je de zin in een andere tijd zet?
Maak van de zin een vraag, of zet hem in de verleden tijd. Het werkwoord dat dan mee verandert en vooraan springt, is de persoonsvorm. "De hond blaft" wordt "Blaft de hond?", dus blaft.
De hond blaft hard.
onderwerp · groep 7
Vraag: Wie of wat + persoonsvorm?
Zoek eerst de persoonsvorm en vraag dan: wie of wat blaft? Het antwoord is het onderwerp. Handige controle: het onderwerp bepaalt of de persoonsvorm enkelvoud of meervoud is.
De hond blaft hard.
lijdend voorwerp · groep 8
Vraag: Wie of wat + persoonsvorm + onderwerp?
Vraag: wie of wat leest mijn zus? Antwoord: een boek. Let op de volgorde. Je neemt het onderwerp mee in de vraag, anders vind je het onderwerp opnieuw.
Mijn zus leest een boek.
meewerkend voorwerp · groep 8
Vraag: Aan wie of voor wie?
Je kunt er meestal "aan" of "voor" voor zetten zonder dat de zin raar wordt: "de juf geeft een opdracht aan de kinderen". Staat dat woordje er al, dan is het geen meewerkend voorwerp meer maar een voorzetselvoorwerp.
De juf geeft de kinderen een opdracht.
bijwoordelijke bepaling · groep 7
Vraag: Waar, wanneer, hoe of waarom?
Dit zinsdeel zegt iets over de omstandigheden. Je kunt het meestal weglaten en de zin blijft lopen: "De trein vertrekt" klopt ook zonder "om acht uur".
De trein vertrekt om acht uur.
Taalkundig of redekundig ontleden?
Dit is de verwarring die het vaakst voorkomt, en ze hebben allebei het woord "ontleden" in de naam. Het verschil in één tabel:
| Taalkundig | Redekundig | |
|---|---|---|
| Wat benoem je? | Eén woord | Een groep woorden |
| Hangt het van de zin af? | Nee, "de" is altijd een lidwoord | Ja, "de hond" is hier onderwerp, elders lijdend voorwerp |
| Voorbeeldtermen | Zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord | Onderwerp, persoonsvorm, lijdend voorwerp |
| Wanneer op school | Vanaf groep 6 | Vanaf groep 7 |
Woordsoorten oefenen kan op de pagina woordsoorten. Wil je de uitleg van de taalkundigen zelf, met twee volledig ontlede voorbeeldzinnen, dan legt Onze Taal redekundig ontleden stap voor stap uit.
Over deze oefening
| Kenmerk | Deze oefening |
|---|---|
| Zinsdelen | 5: persoonsvorm, onderwerp, lijdend en meewerkend voorwerp, bijwoordelijke bepaling |
| Zinnen | 37, elk met één persoonsvorm en zonder twijfelgevallen |
| Per ronde | 8, 12, 20 of 30 vragen, zelf te kiezen |
| Uitleg | Bij elk antwoord de vraag waarmee je dat zinsdeel vindt |
| Werkblad | PDF met de zinnen en een antwoordpagina met de vindvraag |
| Geschikt voor | Groep 7 en 8, brugklas |
| Kosten | Gratis, zonder account |
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen taalkundig en redekundig ontleden?
Bij taalkundig ontleden benoem je losse woorden: woordsoorten zoals zelfstandig naamwoord en werkwoord. Bij redekundig ontleden benoem je groepen woorden en hun rol in de zin: onderwerp, persoonsvorm, lijdend voorwerp. Hetzelfde woord kan dus een zelfstandig naamwoord zijn én deel van het onderwerp.
Hoe vind ik de persoonsvorm?
Maak van de zin een ja-neevraag. Het werkwoord dat dan vooraan komt te staan, is de persoonsvorm. Een tweede controle: zet de zin in een andere tijd. Alleen de persoonsvorm verandert mee.
Hoe vind ik het onderwerp?
Zoek eerst de persoonsvorm en vraag dan: wie of wat + persoonsvorm? Bij "De juf geeft de kinderen een opdracht" vraag je: wie of wat geeft? De juf. Dat is het onderwerp.
Wat is het verschil tussen lijdend en meewerkend voorwerp?
Het lijdend voorwerp vind je met "wie of wat + persoonsvorm + onderwerp": wie of wat geeft de juf? Een opdracht. Het meewerkend voorwerp vind je met "aan wie of voor wie": aan wie geeft de juf een opdracht? De kinderen. Bij het meewerkend voorwerp kun je er meestal "aan" voor zetten zonder dat de zin raar wordt.
Wat is het gezegde?
Het gezegde is alles wat over het onderwerp gezegd wordt. Bij een werkwoordelijk gezegde bestaat dat uit werkwoorden ("De hond blaft"); de persoonsvorm hoort daar dus bij. Bij een naamwoordelijk gezegde staat er een koppelwerkwoord plus een naamwoord: "De soep is koud". Daarin is "is koud" samen het gezegde.
Kan ik dit ook printen?
Ja. Met "Download werkblad" krijg je een PDF van precies de zinnen die op dat moment op je scherm staan, met een schrijfregel achter elke zin. De tweede pagina geeft de antwoorden, en bij elk antwoord de vraag waarmee je dat zinsdeel vindt. Zo kun je nakijken zonder zelf te hoeven uitleggen. Kies je 30 vragen, dan loopt het blad door op een tweede vel in plaats van dat er vragen wegvallen.
In welke groep oefen je zinsdelen?
In groep 7 en 8. Persoonsvorm, onderwerp en bijwoordelijke bepaling komen meestal in groep 7 aan bod, lijdend en meewerkend voorwerp in groep 8. In de brugklas wordt alles herhaald en uitgebreid. Wil je in groep 6 al beginnen, kies dan alleen persoonsvorm en onderwerp.
Verder oefenen
Losse woorden benoemen doe je bij woordsoorten. Voor de spelling van werkwoorden is er werkwoordspelling, 't kofschip en d of t.
Laatst bijgewerkt: